Via ontwikkelingshulp (of ontwikkelingssamenwerking) steunen rijkere landen de armere landen om zich verder te ontwikkelen en zo een hogere levensstandaard te bereiken. Via deze online toolkit voor Mobiliteit en Ontwikkeling vind je achtergrondinformatie over verschillende manieren van ontwikkelingssamenwerking en waarom er aan ontwikkelingssamenwerking wordt gedaan. Ook lees je meer over kritiek op ontwikkelingssamenwering. Dit alles helpt je om zelf een mening erover te vormen.


Wanneer is iemand arm, en wanneer is iemand rijk. Een groot deel heeft te maken met geld. Als je geld genoeg hebt om te kopen wat je maar wilt, ben je financieel gezien rijk. In Nederland kennen we de Quote 500: een lijst met de 500 rijkste Nederlanders. Het geschatte vermogen van de rijkste familie van Nederland is ongeveer 20 miljard euro. Maar natuurlijk is dat een uitzondering. In veel Nederlandse gezinnen moeten steeds keuzes gemaakt worden over hoe ze het geld gaan besteden: koop ik een mobieltje, of een winterjas, of heb ik het geld nodig om eten te kopen voor mijn gezin. Je kunt je geld natuurlijk maar één keer uitgeven. In Nederland zijn de verschillen tussen hoge en lage inkomens dus groot. Toch zorgt de Nederlandse overheid ervoor dat iedereen een minimaal bedrag per maand te besteden heeft. Er zijn verschillende uitkeringen en subsidies de ervoor zorgen dat iedereen rond kan komen en niemand in armoede hoeft te leven.

Maar armoede heeft met meer te maken dan alleen geld. Armoede is volgens de definitie van de Verenigde Naties het niet kunnen voorzien in de primaire levensbehoeften: voedsel, veilig drinkwater, sanitair, gezondheid, onderwijs, onderdak en informatie. Deze levensbehoeften gelden als noodzakelijk om een menswaardig leven te kunnen leiden. Daarnaast zijn deelnemen aan het sociale leven, goed onderwijs en ontspanning belangrijke levensbehoeften.

Verschillen tussen arm en rijk zijn niet alleen binnen een land zichtbaar, maar ook tussen landen. Landen met een grote armoede in verhouding tot “rijke landen”, worden ontwikkelingslanden genoemd. Rijke landen hebben namelijk meestal een technologische, economische en medische ontwikkeling doorgemaakt, waardoor zij een hoger ontwikkelingsniveau hebben. Ontwikkelingslanden hebben meestal weinig industrie, een werken vooral in de landbouw en hebben een lage levensstandaard.

In de afbeelding is met kleur aangegeven welke landen het meest ontwikkeld zijn (blauw), redelijk ontwikkeld (oranje) en het minst ontwikkeld (rood). Je ziet dat de rijkste landen zich in Noord Amerika, Europa en Australië bevinden, en de armste landen vooral in het midden van Afrika.
Wereldkaart met ontwikkelingsniveaus

Hoewel er grote verschillen zijn in de meningen over wat een ontwikkelingsland nu precies is, zijn er elf punten die, min of meer, kenmerkend zijn voor ontwikkelingslanden:

  • een hoge schuld (met name ook aan landen uit de eerste wereld) – zie ook: Lijst van landen naar staatsschuld
  • een hoog percentage analfabeten
  • een hoog sterftecijfer en kindersterfte
  • ondervoeding
  • hoog percentage werkzaam in de landbouw
  • kleine middenstand
  • kinderarbeid
  • ontbrekende rechten voor de vrouw
  • veel kinderen per gezin
  • slechte hygiëne
  • laag energieverbruik.

Voor meer informatie zie ook http://nl.wikipedia.org.


Een veelgebruikte maat om armoede te meten is de absolute armoedegrens. In 1985 is deze door de Wereldbank vastgesteld op 1 dollar per dag. Iemand die leeft van een bedrag dat minder of gelijk is aan 1 Amerikaanse dollar per dag, leeft onder de armoedegrens. In 2008 is de grens opgetrokken naar 1,25 dollar per dag. Volgens deze nieuwe armoedegrens leven wereldwijd momenteel 1,4 miljard mensen in absolute armoede (dus zeg maar 90 keer zoveel mensen als in Nederland wonen).

De armoedegrens kijkt alleen naar hoeveel geld iemand te besteden heeft. Maar dat zegt niet alles. Bijvoorbeeld een boer of nomade die vanuit zijn achtergrond en cultuur ervoor kiest om met zijn vee rond te trekken en in een simpel ‘takkenhutje’ te wonen, wat hij elke week weer afbreekt en elders opnieuw opbouwt, kan arm lijken, maar als hij ondertussen 100 koeien en 50 geiten heeft is hij toch niet zo arm. Daarom wordt ook wel de Human Development Index (HDI) als betere maat om armoede te meten gebruikt. Deze index houdt rekening met meer factoren dan alleen geld. Het is een maatstaf om de menselijke ontwikkeling te meten en houdt rekening met: levensverwachting, alfabetisme en levensstandaard.

Er zijn 187 landen opgenomen in de HDI. De 20 landen die bovenaan staan, zijn vooral landen in Europa (en Australië en Amerika). De 20 landen die onderaan staan, zijn vooral landen in Afrika. De meest recente lijst vind je hier.

Op welke plaats staat Nederland en op welke plaats staat Oeganda in de Human Development Index?


Omdat de verschillen tussen arme en rijke landen groot zijn, verlenen rijkere landen steun aan ontwikkelingslanden. Via ontwikkelingssamenwerking steunen rijkere landen de armere landen om zich verder te ontwikkelen en zo een hogere levensstandaard te bereiken. Een belangrijke reden voor ontwikkelingssamenwerking komt voort uit het willen helpen van mensen die het minder goed hebben, uit solidariteit.
Voor een deel heeft ontwikkelingssamenwerking echter ook economische en politieke redenen. Voor een stabielere wereld en zoals de Nederlandse overheid het noemt “welbegrepen eigenbelang”.

Enkele voorbeelden hiervan zijn:

  • De Verenigde Staten van Amerika verscheepte de landbouwoverschotten via het ‘Food for Peace Program’ (Voedsel voor Vrede) in de vorm van ontwikkelingshulp naar ontwikkelingslanden.
  • China steunt ontwikkelingslanden vaak met het aanleggen van infrastructuur als wegen, bruggen, havens en spoorlijnen, in ruil voor grondstoffen (zoals olie of goud) uit de bodem van het ontwikkelingsland.
  • In Nederland gaf men in het verleden “gebonden hulp” wat wil zeggen dat het geld dat ontwikkelingslanden van Nederland ontvingen, zij moesten uitgeven aan goederen en diensten van Nederlandse partijen.

In deze voorbeelden zijn de redenen voor ontwikkelingssamenwerking deels gebaseerd op solidariteit, maar voor een deel ook op eigenbelang.

Noodhulp is een speciale vorm van ontwikkelingssamenwerking. Noodhulp is nodig in die situaties waarin er een ramp zich voordoet. Denk bijvoorbeeld aan een overstroming, natuurramp of oorlog. Rampen gebeuren onverwacht, kunnen zich overal voordoen, en er zijn weinig rampen waar je goed op kunt zijn voorbereid. Daarom zijn veel landen bereid om als rampen zich voordoen noodhulp te verlenen aan het land waar het is gebeurd, om te zorgen dat het weer snel kan opbouwen. Noodhulp is er niet alleen voor ontwikkelingslanden, maar ook voor rijke landen. Een ramp kan immers overal plaatsvinden. Wel is het zo dat rijke landen vaak zelf een financiële buffer hebben om rampen op te vangen, en ontwikkelingslanden hebben dat meestal niet. Als er ergens in de wereld een ramp voordoet, wordt noodhulp vanuit Nederland vaak gecoördineerd door Samenwerkende Hulporganisaties (SHO) via giro 555. Via giro 555 kunnen alle mensen in Nederland geld geven, waardoor dit geld gebruikt kan worden om de rampgebieden opnieuw op te bouwen.


Nederland verleent op verschillende manieren ontwikkelingssamenwerking. De kanalen voor geldstromen voor ontwikkelingssamenwerking in Nederland zijn:

  • Bilaterale kanaal is ontwikkelingssamenwerking die de Nederlandse regering direct verleent aan de regering van het ontwikkelingsland. Dus van land tot land, waarin de Nederlandse ambassades een belangrijke rol spelen. Sinds 2011 geeft Nederland ondersteuning aan 15 partnerlanden. Daarvoor waren het meer landen.
  • Multilaterale kanaal is steun via multilaterale instellingen, zoals de Wereldbank, de Verenigde Naties en de Europese Unie. Multilaterale instellingen ontvangen contributies van overheden, waaronder Nederland. Zij voeren daar op hun beurt ontwikkelingsprogramma’s mee uit.
  • Maatschappelijke kanaal. Veel van het werk in ontwikkelingssamenwerking wordt niet direct door onze overheid gedaan, maar door niet-gouvernementele organisaties (NGO’s). Niet- gouvernementele organisaties zijn organisaties die los van de overheid werken. NGO’s zijn particuliere, onafhankelijke hulporganisaties, zoals Cordaid en ICCO. Hun inkomsten bestaan uit donaties van particulieren, bedrijven, maatschappelijke organisaties en vaak ontvangen zij subsidie van de overheid.
  • Particuliere initiatieven. Naast NGO’s zijn ook burgers, sociale organisaties, stichtingen, scholen, ziekenhuizen, sportclubs, vriendengroepen en bedrijven actief in ontwikkelingssamenwerking. Zij verlenen vaak kleinschalige ondersteuning direct aan partijen in ontwikkelingslanden.
  • Ook het bedrijfsleven speelt een belangrijke rol in ontwikkelingssamenwerking. Denk bijvoorbeeld aan Nederlandse bedrijven met kennis op watermanagement die in ontwikkelingslanden werken.

Uitgaven aan ontwikkelingssamenwerking
Het geld dat vanuit Nederland wordt uitgegeven aan ontwikkelingssamenwerking heeft 3 belangrijke herkomsten:

  1. De overheid, oftewel belastinggeld. Er bestaat een internationale afspraak dat alle landen 0,7% van het Bruto Nationaal Product (inkomen van alle inwoners samen) aan ontwikkelingssamenwerking zal besteden. Nederland is één van de (weinige) landen die dat percentage haalt. Het overheidsgeld voor ontwikkelingssamenwerking wordt grofweg voor een kwart uitgegeven via het bilaterale kanaal (via ambassades), een kwart via het multilaterale kanaal (via Wereldbank, VN en EU), een kwart via het maatschappelijke kanaal (via NGO’s) en een kwart aan bedrijfsleven gerelateerde zaken. Een volledig overzicht van de uitgaven voor ontwikkelingssamenwerking is te vinden in de zogeheten HGIS-nota van het ministerie van Buitenlandse Zaken.
    Hoeveel belastinggeld er aan ontwikkelingssamenwerking wordt uitgegeven, is afhankelijk van de politiek in Nederland. Bijvoorbeeld, als de PVV het voor het zeggen heeft zal er veel minder geld voor ontwikkelingssamenwerking worden vrijgemaakt dan wanneer de SP het voor het zeggen heeft. Op de website van NCDO is een goed overzicht gegeven van de uiteenlopende standpunten over ontwikkelingssamenwerking van verschillende politieke partijen.
  2. Donaties van particulieren en bedrijven. In feite wordt een deel van het belastinggeld dat particulieren en bedrijven afdragen aan de Nederlandse overheid uitgegeven aan ontwikkelingssamenwerking. Maar omdat particulieren en bedrijven niet direct invloed hebben op waar dat geld aan wordt besteed, doneren veel particulieren en bedrijven ook direct geld aan een NGO of particulier initiatief waarbij zij zich op enige manier betrokken voelen.
  3. Remittances. Dit is geld dat migranten direct naar hun landen van herkomst sturen. Vanuit Nederland word jaarlijks rond de  8 miljard euro overgemaakt naar de verschillende landen van herkomst . 

In de geschiedenis zijn er verschillende manieren van ontwikkelingssamenwerking geweest. Zo sprak men aanvankelijk over ontwikkelingshulp, omdat er vooral sprake was van het uitdelen van dingen. Ook wel liefdadigheid genoemd. Vanuit het idee dat wij het hier beter hebben dan de mensen in ontwikkelingslanden, stuurden mensen met alle liefde spullen naar ontwikkelingslanden toe, die daar meestal gratis werden weggegeven. Dit kwam voort uit het beeld dat mensen hier hadden van de “zielige mensen” in ontwikkelingslanden. Ondanks de goede bedoelingen waarmee de ontwikkelingshulp werd gegeven, creëerde dit juist afhankelijkheid van de hulp in plaats van dat het bijdraagt aan een oplossing. Leef je eens in dat je geboren bent in een ontwikkelingsland, en niet beter weet dan dat je gratis spullen krijgt aangereikt vanaf andere delen van de wereld. Dan weet je niet beter of de wereld werkt op die manier: je wacht tot er spullen naar je toekomen.

Tegenwoordig is steun aan ontwikkelingslanden meer gericht op gelijkwaardigheid, vandaar dat men tegenwoordig spreekt over ontwikkelingssamenwerking in plaats van ontwikkelingshulp. Met gelijkwaardigheid wordt bedoeld dat de mensen in ontwikkelingslanden een actieve houding hebben om zich te ontwikkelen en daarin samenwerken met andere landen om dit te bereiken. Ontwikkelingssamenwerking is gericht op het creëren van kansen voor mensen om zelf iets te maken van hun leven, ontwikkelingshulp op creëren van afhankelijkheid. Door te kijken naar de kracht van de mensen in ontwikkelingslanden, en niet naar wat wij met westerse ogen beschouwen als armoede.

Voorwaarden ontwikkelingssamenwerking
Aan verantwoorde en duurzame ontwikkelingssamenwerking is een aantal voorwaarden verbonden:

  • Het idee en initiatief ligt bij lokale mensen en partijen die zelf hun eigen leefsituatie of die van anderen in hun omgeving willen verbeteren. Ook wel genoemd “vraaggericht” in tegenstelling tot “aanbodgericht”. Mensen in de ontwikkelingslanden weten meestal zelf waarmee zij het beste geholpen worden om uit de armoede op te klimmen. Wij Nederlanders zijn vanuit een andere cultuur en achtergrond opgegroeid dan de mensen in ontwikkelingslanden. Wij hechten daarom belang aan andere dingen dan mensen die vanuit een andere cultuur zijn opgegroeid.Als wij bijvoorbeeld een schoolgebouw zien waar de verf van de muur afbladdert vinden we dat heel erg en een teken van armoede. Terwijl de mensen op en rond die school dat misschien helemaal niet belangrijk vinden dat het gebouw een mooi kleurtje heeft.Voor ontwikkelingssamenwerking is het dus belangrijk dat het idee en initiatief komt vanuit de mensen daar, en niet iets is waarvan mensen in Nederland denken dat de mensen daar er wel iets aan zullen hebben.Een ander voorbeeld is de sneeuwschuivers die Rusland stuurde aan tropisch Conakry: waarmee de Russen dachten de mensen in Guinee enorm te helpen, terwijl er nooit sneeuw valt in dit deel van Afrika.Nederlandse organisaties kunnen goed helpen om een bepaald lokaal idee bij het Nederlandse publiek onder de aandacht te brengen, en ook om met de mensen daar mee te denken, maar het initiatief moet bij de mensen in het ontwikkelingsland liggen. Als de mensen in de ontwikkelingslanden geen invloed hebben en alles alleen maar is opgelegd door Nederlanders, zal het nooit slagen.Immers, als de lokale mensen steun krijgen voor een bepaald project of idee, moeten ze zelf zorgen dat het wordt uitgevoerd en dat het werkt op langere termijn. Want het uiteindelijke doel is dat mensen in ontwikkelingslanden zelf verder kunnen zonder onze steun. Ontwikkelingsorganisaties hebben daarom bij aanvang van een project meestal al een bepaalde strategie: er is op voorhand al nagedacht en er zijn afspraken gemaakt over hoe en wanneer de samenwerking voor een bepaald project ophoudt en het zelf kan voortbestaan of wordt voortgezet door lokale mensen zonder dat er geld van buitenaf nodig is. Verantwoorde ontwikkelingssamenwerking werkt aan structurele en duurzame oplossing(en) van problemen.
  • Overheden behouden verantwoordelijkheden. Als je naar een land als Nederland kijkt, neemt de overheid verantwoordelijkheid voor bijvoorbeeld de aanleg en onderhoud van wegen, bewaken van kwaliteit van scholen, ziekenhuizen, politie, nutsvoorzieningen, sociale uitkeringen, enzovoorts wat mogelijk is door het innen van belastingen. Ook in andere landen heeft de overheid die taak, alleen pakken ze die vaak niet goed op waardoor wegen in slechte staat verkeren, er geen sociaal vangnet is enzovoorts. Dit kan worden veroorzaakt door allerlei redenen, zoals geen belasting heffen, of wel belasting heffen maar het besteden aan andere zaken (waaronder corruptie, hoge salarissen in de politiek).In het verleden hebben ontwikkelingsorganisaties taken overgenomen van de lokale overheid. Echter, dit creëerde een situatie waarin het voor die overheid gewoon werd dat zij daar geen verantwoordelijkheid voor hoeven te dragen, omdat er wel mensen uit Europa en Amerika komen die daar geld in steken. Verantwoorde ontwikkelingssamenwerking begeeft zich dus op terreinen aanvullend op taken die de lokale overheden zelf hebben.
  • Lokale economie stimuleren. Een belangrijke voorwaarde voor een land om zich te kunnen ontwikkelen en onafhankelijk te worden van buitenlandse donoren, is het hebben van een sterke economie. Als ontwikkelingslanden in staat zijn om zelf dingen te produceren, creëert dat werkgelegenheid in het land (en dus inkomsten voor veel mensen), en onafhankelijkheid voor die producten op de wereldmarkt. Verantwoorde ontwikkelingssamenwerking creëert werkgelegenheid voor mensen in ontwikkelingslanden. In het verleden (en nog steeds) worden er vaak spullen verstuurd naar ontwikkelingslanden in het kader van ontwikkelingshulp. Vaak met goede bedoelingen, zeker als het zaken zijn die wij in Nederland niet meer gebruiken maar in principe nog wel werken. Maar hiermee wordt meestal niet de lokale economie gestimuleerd. Waren ze op de lokale markt geproduceerd, hadden de gezinnen van de mensen die het maken daardoor brood op de plank gehad. Daarnaast kan er door het versturen van dingen uit Nederland, vooral als ze gratis worden weggegeven, onbedoeld de lokale economie onderuit worden gehaald. Als bijvoorbeeld matrassen uit Nederland worden verstuurd naar Oeganda en daar gratis worden weggegeven, zullen mensen geen matrassen meer kopen bij de matrassenverkoper in Oeganda en zal deze daardoor misschien zelfs zijn zaak moeten sluiten. En dat terwijl voor het geld dat gemoeid is met het vervoeren van de matrassen van Nederland naar Oeganda misschien wel het tienvoudige aantal matrassen gekocht kan worden bij die matrassenverkoper in Oeganda.Ontwikkelingssamenwerking is verantwoord als het een positieve impact heeft op de lokale economie.
    Google maar eens op “gebruikte computers naar Ghana” of “mutsjes naar India” en lees de discussies die daarover gaan.
  • Gebruik maken van lokale (of regionale) kennis. Nederlanders hebben over het algemeen de kans gehad een goede opleiding te volgen. Het onderwijsniveau van veel mensen in ontwikkelingslanden is lager dan van de gemiddelde Nederlander, en ook de kwaliteit van het onderwijs is vaak lager dan van een vergelijkbare opleiding in Nederland. Toch zijn er ook in ontwikkelingslanden genoeg mensen met kennis op bepaalde vlakken. Al dan niet opgedaan in de praktijk of via een bepaalde studie. Verantwoorde ontwikkelingssamenwerking houdt rekening met de kennis die lokaal aanwezig is en maakt daar gebruik van.

Waarom Nederlanders sturen als er ook in het land zelf iemand is die er kennis over heeft? Waarom Nederlandse vrijwilligers sturen die schooltjes gaan bouwen, als je daarvoor net zo goed lokaal iemand kunt inhuren en op die manier ook nog eens werkgelegenheid creëert?

Vooral voor praktische werkzaamheden, zoals bouwwerkzaamheden, is vaak lokaal vaak kennis aanwezig. Maar ook andere beroepen zoals fotografen, ontwerpers, techneuten komen in ontwikkelingslanden voor. En daar waar ze niet voorkomen, besteden ontwikkelingsorganisaties veelal zorg aan het trainen van mensen, zodat ze de capaciteiten ontwikkelen om het zelf te doen (ook wel capaciteitsopbouw genoemd).

Het Nederlandse ontwikkelingsbeleid is erop toegespitst om kennis over te brengen op terreinen waar wij goed in zijn, verstand van hebben en iets kunnen bijdragen. Zoals in bijvoorbeeld in watermanagement en fietsen.

Kijk eens om je heen naar ontwikkelingsprojecten, kies er 1 en ga eens na wat je goed en minder goed eraan vind. Neem ook eens contact op met de organisatie en durf vragen te stellen.

Er is ook veel kritiek op ontwikkelingssamenwerking. Veel gehoorde geluiden zijn: Het werkt niet, komt bij de verkeerde mensen terecht, blijft aan de “strijkstok” hangen et cetera. Natuurlijk gaat er bij ontwikkelingssamenwerking ook wel eens wat mis. En uiteraard is het een heel complex vraagstuk: Waarom blijven arme landen arm en rijke landen rijk? Waarom is de wereld zo ongelijk verdeeld dat we hier meer geld en spullen hebben dan we nodig hebben en aan de andere kant van de wereld te weinig?

Critici zeggen dat als iedere euro die tot nu toe aan ontwikkelingssamenwerking besteed is, gebruikt zou zijn om voedsel te kopen, er nu niemand meer honger zou hebben. Of dat waar is of niet zullen we nooit weten. Wat we wel weten is dat er in het verleden inderdaad projecten mis zijn gegaan, geld in verkeerde zakken is beland, afhankelijkheid is gecreëerd enzovoort. Maar de ontwikkelingssamenwerkingsector heeft niet stil gezeten, en het wordt steeds professioneler. De sector blijft zoeken naar oplossingen en onderzoekt hoe het beter kan.

Vandaar ook dat in het huidige beleid men veelal vasthoudt aan voorwaarden voor verantwoorde ontwikkelingssamenwerking.Het vraagstuk is erg complex. Er spelen ook heel veel belangen mee. Het strekt te ver om op deze plaats hier verder op in te gaan. Maar als je je meer wilt verdiepen in redenen waarom ontwikkelingssamenwerking na al die jaren nog steeds nodig is, surf dan eens op het internet naar bijvoorbeeld:

  • Handelsbarrières die Europa opwerpt tegen producten die ontwikkelingslanden exporteren, gebonden hulp (hulp die westerse landen voorheen aan ontwikkelingslanden gaven op voorwaarde dat het geld in het donorland werd besteed),
  • De invloed van grondstoffen (sommige ontwikkelingslanden hebben bijv. olie of goud in de grond zitten, maar kennen toch een hoog aantal arme mensen. Veel westerse landen azen op de grondstoffen en maken een deal)
  • Scheve inkomstenverdeling binnen een ontwikkelingsland (bijvoorbeeld de president en premier van Kenia verdienen beide twee keer zoveel als de hoogste ambtenaar in Nederland, terwijl buitenlandse donoren veel geld naar Kenia brengen omdat het grootste deel van de bevolking onder de armoedegrens leeft)
  • De “strijkstok”, waarmee organisatorische kosten worden bedoeld die noodzakelijk zijn om ontwikkelingssamenwerking uit te voeren (maar die soms niet in verhouding staan met wat de samenwerking oplevert)
  •  Effectiviteit van de hulp (er wordt gezegd dat ontwikkelingssamenwerking de economische groei van een land juist afremt)
  • Bevordering van corruptie (dat machthebbers en ambtenaren een graantje meepikken van de ontwikkelingsfondsen, een deel van het geld verdwijnt via bankrekeningen van familie en vrienden naar het buitenland of wordt uitgegeven aan projecten die goed liggen bij de kiezers zodat de machthebbers langer aan de macht kunnen blijven. In het ergste geval worden er zelfs oorlogen mee gefinancierd.)

Ondanks dat er voorbeelden zijn waar ontwikkelingssamenwerking niet goed heeft uitgepakt, zijn er ook heel veel voorbeelden waar ontwikkelingssamenwerking juist wel positief effect heeft gehad. Het uitgangspunt is dat ontwikkelingssamenwerking, mits op verantwoorde wijze wordt uitgevoerd, goed helpt en nodig is.

In 2000 hebben regeringsleiders van 189 landen afgesproken om vóór 2015 de belangrijkste wereldproblemen aan te pakken. Er waren acht concrete doelstellingen vastgelegd: de millenniumdoelen. Elk jaar wordt de vooruitgang van de landen gemeten en er was zeker vooruitgang geboekt bij veel van de doelen tot het jaar 2015. De afgesproken doelen hebben wereldwijd tot verbetering geleid. Armoede is teruggedrongen, meer kinderen kunnen naar school, meer mensen wonen in acceptabele woningen en hebben toegang tot veilig water en sanitaire voorzieningen. Maar op veel gebieden en in veel landen is er nog een lange weg te gaan.

Werelddoelen

Eind september 2015 heeft de Verenigde Naties een nieuw plan opgesteld: de Werelddoelen. Terwijl de millenniumdoelen vooral gericht waren op vooruitgang in ontwikkelingslanden, zijn de werelddoelen gericht op de hele wereld. Alle landen moeten hier vooruitgang in kunnen boeken en elkaar ondersteunen. De Werelddoelen gaan door waar de millenniumdoelen ophielden, maar ze zijn veel ambitieuzer. Ze gaan niet alleen over ontwikkeling ,maar ook over duurzaamheid.

Deze werelddoelen zijn gebaseerd op zes hoofdwaarden:

  • Mensen – toegang tot gezondheidszorg en onderwijs voor iedereen (ook vrouwen)
  • Waardigheid – einde aan armoede en tegengaan van ongelijkheid
  • Welvaart – sterke economieën waar iedereen aan kan deelnemen
  • Gerechtigheid – veilige en vredige samenlevingen met sterke instituten
  • Samenwerken – versterken van mondiale solidariteit en duurzame ontwikkeling
  • Planeet – beschermen van ecosystemen voor alle samenlevingen en toekomstige generaties.

Werelddoelen1

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Deze 6 hoofdwaarden zijn uitgewerkt in 17 doelen die men voor het jaar 2030 bereikt hoopt te hebben. Met deze 17 doelen hoopt men de wereld tot ‘een betere plek te maken in 2030’.

  • Geen armoede
  • Geen honger, duurzame landbouw
  • Gezondheidszorg voor iedereen
  • Onderwijs voor iedereen
  • Gelijke rechten voor meisjes en vrouwen
  • Schoon water en sanitair voor iedereen
  • Toegang tot betaalbare en duurzame energie
  • Economische groei, werkgelegenheid
  • Infrastructuur voor duurzame industrialisatie
  • Verminderen ongelijkheid binnen en tussen landen
  • Steden veilig, weerbaar en duurzaam
  • Duurzame consumptie en productie
  • Klimaatverandering tegengaan
  • Duurzaam gebruik van de zeeën
  • Bescherming ecosystemen, bossen en biodiversiteit
  • Promotie veiligheid, publieke diensten en recht voor iedereen
  • Versterking mondiaal partnerschap om doelen te bereiken

Wat hebben de Werelddoelen met jou te maken?

De Werelddoelen gaan ook over jou. Kleding die je bij de winkel koopt, komt grotendeels uit het buitenland, zoals Bangladesh of Ethiopië. Door jouw shirtje ben je verbonden met werkomstandigheden daar, de hoeveelheid water die er wordt gebruikt en vervuild tijdens de productie, en hoe duurzaam de katoen verbouwd wordt. Dat geldt voor heel veel van de spullen die je koopt en gebruikt. En de uitlaatgassen die onze auto’s uitstoten, zorgen voor droogte of meer regen in andere landen. Door jouw keuzes en acties kan ook jij bijdragen aan het behalen van de Werelddoelen.

Links voor meer informatie:

  • Voor meer informatie over de millenniumdoelen, (de inhoud van de doelen, de voortgang en stand van zaken en kritiekpunten op de doelen) kijk op de website van OneWorld of op het algemene overzicht op Wikipedia – Millenniumdoelen
  • Voor meer informatie over de resultaten van de millenniumdoelen klik hier
  • Voor meer informatie over de inhoud van de 17 Werelddoelen en meer kijk hier

De Werelddoelen zijn gericht op het verbeteren van de levensomstandigheden van alle mensen wereldwijd, dus ook in Afrika. Verbetering van kansen op werk en inkomen, scholing, gezondheidszorg en nog veel meer (zie Werelddoelen) Toegang hebben tot voorzieningen en kansen op werk en inkomen is cruciaal voor mensen om zichzelf te kunnen ontwikkelen. Toegang tot scholen, toegang tot ziekenhuizen en toegang tot werk. Scholen, artsen, docenten, ziekenhuizen, waterputten, kunnen nog zo goed zijn, als je er geen toegang toe hebt, heb je er nog niks aan. En zoals beschreven bij Mobiliteit in Nederland en Afrika, zijn lopen en fietsen de belangrijkste vervoerswijzen in Afrika.

De fiets en de Werelddoelen
Een fiets heeft invloed op een groot deel van de werelddoelen. Een fiets biedt mogelijkheden voor onder andere:

  • Inkomens diversificatie (waardoor men minder gevoelig is voor rampen), nieuwe kansen op de arbeidsmarkt (bijvoorbeeld fietstaxi), kostenbesparing voor met name woon-werkverkeer, inkomensverhoging (doordat men meer kan vervoeren ook meer afzet van producten) (werelddoel 1,2, 8, 9)
  • Betere toegang tot scholen (Werelddoel 4,
  • Betere toegang tot ziekenhuizen (Werelddoel 3, 2, 5, 6).
  • Medisch – en onderwijzend personeel sneller ter plaatse en grotere actieradius (millenniumdoelen 3, 4, ).
  • Gelijkwaardigere positie in het huishouden voor vrouwen (Werelddoel 5).
  • Snellere toegang tot watervoorzieningen. Met een fiets kan er makkelijker en sneller water worden gehaald (Werelddoel 6)
  • Minder uitstoot van schadelijke gassen (Werelddoel 15,13,11)

 

Dit zijn slechts enkele voorbeelden waarom mobiliteit, en in het bijzonder fietsen, van belang zijn binnen de Werelddoelen. Klik hier voor een ander artikel over het nut van de fiets in Afrika.